Ik ga niet op vakantie, ik ga op reis. Op vakantie BEN je, op reis GA je. Ik ga zelden naar één plek om daar dan twee weken te vertoeven en terug naar huis te keren. Liever ga ik op rondreis door een land, waarbij ik telkens een paar dagen ter plekke blijf en dan weer verder trek. Ik denk dat ik ergens een ‘aankomst-aversie’ heb. Ik hou niet van aankomen, ik ben liever onderweg. The journey is better than the destination, dát principe. Johann Wolfgang von Goethe schreef het zijn vriendin Caroline Helder al in 1788: “Man reist ja nicht, um anzukommen, sondern um zu reisen.” En Siddhartha Gautama, beter bekend als Boeddha, zou ook iets gelijkaardigs gezegd hebben: “Het is beter om te reizen dan om aan te komen.” Enzoverder, enzovoort. Heel wat gelijkgestemde zielen door de eeuwen heen dus. Zíj begrepen het! 😉
Op reizen vermijd ik meestal ook de rechte, kortste weg tussen twee punten. Verdwalen op reis, in smalle straatjes van lieflijke dorpjes, of op glooiende heuvels met een zakkende zon, is geen tijdverlies, maar juist een streven. Het getuigt van liefde voor het leven en de wereld, aan verbazing en verwondering komt op die manier nooit een einde. Ik heb het net nog beleefd tijdens een weekendje verdwalen in Parijs op een zonnig winters weekend. De mooiste vondst is altijd diegene die je niet zocht. ‘Serendipity’ heet dat fenomeen, en het doet zich vaker op zij- dan op hoofdwegen voor. De komst van snelwegen heeft het verplaatsen vergemakkelijkt, maar het reizen verarmd. De reis wordt korter, het voorspel minder lang, het klaarkomen komt te vroeg.
Gek is die vergelijking niet: heel wat auteurs spreken over reizen in liefdesmetaforen. Het is niet toevallig dat de kunst van het reizen een steile opgang kende in de Romantiek aan het einde van de achttiende eeuw. Bevrijd van sociale en religieuze voorbestemming schreeuwde voor de romantische mens alles om verkenning en verlangen. Zeeën en bergen riepen. Het zijn weer de Duitse romantici die daar het mooiste woord voor gevonden hebben: Sehnsucht, gepaard gaand met een stemming van onrust en melancholie. Het Duits heeft trouwens twee verschillende woorden voor wandelen: spazieren en wandern. Het eerste is gewoon wandelen, veeleer met een bepaald doel. Het tweede is eerder dwalen of wandelen om de lust van het wandelen. Hier opnieuw: aankomen versus onderweg zijn.
Er zijn vele redenen om de aankomst uit te stellen. Sommigen vermijden die aankomst zelfs helemaal door nooit te vertrekken. Ze blijven liever thuis en reizen in hun hoofd. Niet vertrekken of het reizen een beetje rekken: het komt allebei neer op het vermijden van ‘reisrouw’. Elke aankomst luidt immers een terugkeer in. Wie de bergtop bereikt, heeft enkel nog de afdaling voor de boeg. Daarom blijven we graag onderweg, stellen we de aankomst liefst nog eventjes uit met een laatste stop of een kleine détour. Dat is ook de reden waarom de trein behalve om ecologische ook om romantische redenen te verkiezen is boven het vliegtuig. 😉
Aankomen is een beetje sterven. Onze Goethe alweer: ‘Vedi Napoli e poi muori’, Napels zien en dan sterven. Reizen is het leven vieren, blíjven reizen het verlengen van de verwachting, het rekken van de verwondering. Reizen is met andere woorden uitgestelde sterfelijkheid, een ode aan het ‘onaffe’, wachten op wat ons te gebeuren staat. Wist je dat ‘avontuur’ eigenlijk is afgeleid van het Latijnse werkwoord ‘advenire’, dat ‘gebeuren’ betekent? Dat is het mooie aan het níét aankomen: het avontuur blijft duren.