Vaderdag vandaag. Maar geen vader meer om het te vieren. Ik verloor de mijne aan een combinatie van kanker en corona, en dat verdriet slaat nog geregeld als een kletsnatte dweil in mijn gezicht, zeker op dagen als vandaag. Want mijn papa was mijn grote held. Gewoon volledig in de betekenis van de ‘superhelden’-held met de onnatuurlijke krachten – werkelijk álles kreeg hij gefixt: van een kapotte verwarmingsketel over een verstopte waterleiding tot mijn gebroken hart. Hij was er op een hele praktische, maar ook een hele emotioneel ondersteunende manier.
“Dag zus, oewist? Hoe voel je je? Lukt het allemaal? Hoe gaat het op het werk? Heb je nog een artikel geschreven dat ik eens kan lezen?” En dan keek hij me met die warme vaderlijke blik aan, die uitnodigde tot een gesprek en het uitstorten van mijn hart.
Papa en ik, wij deden niet aan smalltalk. Daar waren we beiden niet zo goed in, in die koetjes en die kalfjes. Liever ging het meteen naar de essentie, de kern. We hielden van filosoferen, de wereld ontleden, de politiek fileren, en dromen over verre landen. We konden stevig geëmotioneerd worden van een goed klassiek concert, en we waren beiden dol op de bergen. Een van mijn favoriete boeken is “De 8 bergen” van Paolo Cognetti, dat een prachtige inkijk geeft in waarom mensen zo graag de confrontatie opzoeken met dat ruige gebergte boven de boomgrens. Cognetti begreep het helemaal. Het is de eenzaamheid en de puurheid van die zuivere bergen die het hem doen. Het beklimmen van de bergen is een ijzersterke metafoor voor de zoektocht naar geluk.
Papa en ik, wij waren zonnige zoekers en optimistische denkers: wij hielden niet van problemen, liefst zagen we ze als uitdagingen – zoals te overwinnen bergtoppen. Problemen moesten het liefst zo snel mogelijk opgelost worden, met gezond verstand en creatieve invalshoeken. We hielden van denken, maar nog meer van ‘om-denken’. Papa stimuleerde als geen ander mijn probleemoplossend vermogen en mijn creatieve geest.
Maar waar hij vooral een echte kei in was, was in mij onvoorwaardelijk graag zien. Hij was mijn trouwste supporter onderweg en steunde me waar hij kon. Ik blink niet uit in zelfvertrouwen, en heb wellicht ook iets te weinig vertrouwen in de mensheid, maar op papa durfde ik zorgeloos leunen. Hij kon en mocht me dragen en deed dat met verve.
En nu is het al een tijdje verder alleen. En da’s een beetje met vallen en opstaan. De voorbije jaren heb ik hem gezocht in de bergen, op de toppen, in de lucht, in het klaterende gletsjerwater van een bergbeek,… Ik heb overwogen om net als Cheryl Strayed in haar boek ‘Wild’ een grote staptocht te doen, dwars door gebergtes en landen heen, om hem dicht bij me te voelen en het gemis een plekje te geven. Maar langzamerhand en vaker en vaker voel ik een glimp van hem hier dichter bij huis: in woorden en gedachten, in verhalen die willen verteld worden, in gevoel en tederheid. Ik zie hem in de spiegel, in een stukje van mezelf, in de ogen van mijn kinderen, in de pracht die leven heet. Misschien is papa toch niet helemaal gestorven, maar is hij dat stemmetje dat zacht in mijn oor fluistert: ‘Je doet dat goed!’ als ik dat het meeste nodig heb.