Overal hoor ik hetzelfde refrein: we moeten ons bewapenen, we moeten ons verdedigen, we hebben geen keuze. Alsof oorlog een natuurwet is. Alsof geweld automatisch het juiste antwoord is op geweld. Alsof er maar één denkspoor bestaat: dat van militaire logica.
Ik weiger dat te geloven.
Niet omdat ik blind ben voor conflicten. Niet omdat ik denk dat de wereld ineens vredig is geworden. Maar omdat ik zie wat deze logica doet: ze normaliseert geweld, ze versmalt ons moreel kompas, en ze herverdeelt middelen weg van alles wat een samenleving menselijk maakt.
Wanneer we massaal investeren in defensie, investeren we tegelijk minder in onderwijs, in cultuur, in sociale zekerheid, in jeugdwerk, in geestelijke gezondheidszorg, in internationale samenwerking. Minder in alles wat mensen leert omgaan met conflict zonder elkaar te vernietigen. Minder in alles wat voorkomt dat polarisatie escaleert tot haat.
Dat is geen neutrale keuze. Dat is een ideologische keuze.
Oorlog wordt vandaag opnieuw verkocht als realisme. Wie daar vraagtekens bij zet, krijgt snel het etiket “wereldvreemd”. Maar wat is er eigenlijk wereldvreemd aan de gedachte dat geweld geweld voortbrengt? Dat wapens escalatie versterken? Dat militaire oplossingen zelden duurzame vrede brengen?
We doen alsof bewapening bescherming is, maar ze is ook een zelfvervullende voorspelling: wie zich voorbereidt op oorlog, maakt oorlog waarschijnlijker. Wie conflicten uitsluitend in termen van vijanden en dreiging denkt, sluit samenwerking en dialoog op voorhand uit.
Intussen verdwijnt een ander verhaal uit beeld: dat van vredesopbouw, diplomatie, culturele uitwisseling, onderwijs, mediawijsheid, sociale cohesie. Alsof dat soft is. Alsof menswording geen strategische waarde heeft. Alsof samenleven geen veiligheidsbeleid is.
Nochtans weten we dit: samenlevingen waar mensen zich gehoord, beschermd en verbonden voelen, radicaliseren minder. Jongeren die leren omgaan met verschil, grijpen minder snel naar simplistische vijandbeelden. Staten die investeren in wederzijds begrip, creëren buffers tegen escalatie.
Vrede is geen droomtoestand. Het is werk. Langzaam werk. Onzichtbaar werk. Werk dat niet marcheert in uniformen, maar dat klaslokalen, buurthuizen en culturele projecten nodig heeft. Werk dat begint bij de vraag: hoe leren we mensen omgaan met conflict zonder het te militariseren?
Ik weiger mee te stappen in het verhaal dat zegt: “Er is geen alternatief.” Dat is misschien wel de gevaarlijkste zin van allemaal. Want wie geen alternatief meer kan denken, kan ook geen toekomst meer bouwen.
Ja, er zijn bedreigingen. Ja, de wereld is instabiel. Maar als onze enige reflex bewapening is, geven we impliciet toe dat we het project van vrede al hebben opgegeven.
En dat wil ik niet.
Ik wil een samenleving die investeert in vredeseducatie, niet alleen in defensie. In internationale samenwerking, niet alleen in afschrikking. In menselijkheid, niet alleen in macht. Een samenleving die conflicten ernstig neemt, maar geweld niet verheerlijkt. Die beseft dat veiligheid niet alleen militair is, maar ook sociaal, psychologisch en cultureel.
Oorlog is geen natuurwet. Het is een keuze. Net zoals vrede dat is.
En ik kies ervoor om niet mee te doen aan de normalisering van oorlogstaal. Niet mee te doen aan het idee dat wapens ons moreel gelijk geven. Niet mee te doen aan een wereldbeeld waarin “wij” alleen kunnen overleven door “zij” te vernietigen.
Dat is geen zwakte.
Dat is weigeren om het denken op te geven.